Fausto Coppi

In de nevelige ochtendschemer van 2 januari 1960 verzamelde zich een kleine mensenmenigte voor het portaal van het armoedige streekziekenhuis van Tortona. Daar streed Fausto Coppi zijn laatste strijd, nadat hij een dag eerder met de ambulance van het Croce Rossa di Serravalle Scrivia met vliegende vaart daarheen was getransporteerd. Op nieuwjaarsdag had Coppi’s huisarts, dr. Ettore Allegri, tot zijn schrik geconstateerd dat zijn patiënt een lichaamstemperatuur had van maar 35 graden en dat hij klaagde over ernstige pijnen over zijn hele lijf. Hoe was het zover gekomen? Coppi was op 17 januari op het vliegveld van Abidjan samen met onder meer de Fransman Raphael Géminiani op een vliegtuig naar Parijs gestapt. De renners hadden net een tournee door Opper-Volta en Ivoorkust achter de rug en wilden voor de kerst weer thuis zijn. Zowel Coppi als Géminiani waren in de loop van hun Afrikaanse verblijf ziek geworden en beiden dachten aan griep. Op 18 december landden ze op Paris Orlyen terwijl Géminiani zijn vriend Coppi gedag zei om vervolgens naar zijn woonplaats Clermont Ferrand af te reizen, vloog Coppi verder naar Turijn. Daar mistte het hevig en daarom vloog het vliegtuig door naar Milaan. Omdat Coppi en zijn vrouw Giulia voor de zoveelste maal ruzie hadden gemaakt, wilde zij hem op 18 december niet komen ophalen vanuit Novi Ligure. En dus besloot Coppi maar te overnachten in de Albergo Andreola, waar hij wel vaker verbleef als hij wat te doen had in Milaan. Maar op Linate trof hij toevallig de amateur-renner Romeo Venturelli, die het een eer vond om de grote Coppi nog diezelfde avond met zijn FIAT 1100 naar huis te brengen. Giulia ontving het duo met de van haar bekende scherpe tong: „Sei qui? Non potevi stare ancore in Africa?”{Ben je daar? Kon je nog niet wat langer in Afrika blijven?). Coppi nodigde Venturelli uit voor het avondeten en bood hem aan in de Villa Coppi te blijven overnachten. De jonge renner nam het aanbod aan, maar toen de ruzie tussen Fausto en Giulia aan het diner weer opvlamde, besloot Venturelli na het dessert zijn biezen te pakken. Hoewel Coppi zich de dagen erop steeds slechter begon te voelen, bleef hij toch gewoon in actie. Zo bezocht hij op i 20 december een voetbalwedstrijd van zijn favoriete club Alessandria uit in Genua. De dag daarop ging hij op jacht – zijn hobby – in het reservaat Incisa Scapaccino, zo’n 35 kilometer ten westen van Novi. Geradbraakt kwam hij ’s avonds terug, gekweld door koorts en pijn. De toen pas geraadpleegde dokter Allegri stelde Coppi gerust. Het zou om een gewone griep gaan, die op dat moment Italië in zijn greep hield. Daarbij vergat hij gemakshalve dat zijn patiënt net terug was van een reis naar Afrika en dat Coppi tijdens zijn gevangenschap in Noord-Afrika, op het eind van de Tweede Wereldoorlog, ook al eens malaria had gehad. Het minste wat Allegri had kunnen doen was wat bloed afnemen. Ondanks zijn zwakte besloot Coppi op 23 december toch af te reizen naar Milaan, om de jaarvergadering van de Italiaanse beroepsrenners bij te wonen. Op eerste kerstdag kwam hij voor een paar uur zijn bed uit.

Zijn knecht Ettore Milano las de kleine Faustino – zijn zoontje dat ruim vier jaar eerder in Buenos Aires in ballingschap door Giulia was gebaard – kerstverhaaltjes voor. Coppi fotografeerde wat en met zijn vrouw leek alles weer koek en ei. Omdat hij ’s avonds weer koorts kreeg, dook hij vroeg het bed in. Op 26 december zou hij met Milano gaan jagen, maar omdat Coppi zich beroerd voelde was het duo om tien uur alweer terug. In de loop van die dag meldde professor Giovanni Astaldi, die Coppi in 1956 succesvol had behandeld na een aanval van tyfus, zich aan zijn ziekbed. Net als dr. Allegri dacht hij aan angina en hij schreef Coppi penicilline voor, waarmee hij waarschijnlijk diens doodvonnis velde. Want Coppi had geen angina of longontsteking, maar malaria! Net als zijn vriend Géminiani, die in Clermont Ferrand gelukkig over betere artsen kon beschikken en de ziekte dus wel overleefde. Op oudjaarsdag speelde Coppi nog wat met zijn zoon en dronk hij samen met zijn vrouw Giulia om twaalf uur een glas sekt. Op nieuwjaarsdag had Coppi een reünie gepland met de ploegmaten, met wie hij in 1949 zijn eerste Tour de France had gewonnen. Maar toen hij ’s ochtends wakker werd, bleek zijn lichaamstemperatuur te zijn gedaald tot 35 graden. De doktoren Allegri en Astaldi besloten ’s middags tot onmiddellijke opname van hun patiënt in het krakkemikkige ziekenhuis van Tortona, waar Astaldi zijn praktijk had. Daar bracht men Coppi naar de röntgenkamer, maar omdat het apparaat kapot bleek, ging hij onverrichter zake weer naar kamer 4. De cortison en de antibiotica deden inmiddels hun dodelijke werk: het afweersysteem van Coppi werd gesloopt. Alleen kinine had de renner kunnen redden, maar omdat de doktoren – ondanks informatie uit Frankrijk!- stug bleven geloven in een longontsteking kreeg Coppi dat levensreddende medicijn nooit toegediend. Inmiddels waren de tifosi en de pers op nieuwjaarsdag in groten getale naar Tortona afgereisd. Om elf uur ’s avonds werd er nog een geïmproviseerde persconferentie gehouden in het ziekenhuis. Een van de vragen was of Coppi misschien aan malaria leed, maar professor Astaldi schudde gedecideerd van nee. Maar een verpleger die kennelijk meer wist, mompelde dat de kranten hun voorpagina’s beter leeg konden houden. Terwijl er eindelijk in Genua – in Tortona beschikte men niet over deze faciliteiten – een bloedmonster van Coppi werd bestudeerd, verslechterde zijn toestand die nacht zienderogen. Uit Varazze was zijn eerste vrouw Bruna naar Tortona gekomen, samen met zijn twaalfjarige dochter Marina. Terwijl Coppi al half in coma was, betrad zij kamer 4, om haar ex-man zijn zonde te vergeven. Om drie uur ’s nachts kreeg Coppi de sacramenten toegediend door Don Lorenzo Ferrarazzo, maar niet nadat hij zijn vrouw Giulia tot de belofte had gedwongen om van Fausto te scheiden. In het Italië van toen was een echtbreker namelijk uitgesloten van de laatste sacramenten. Toen de klok van Tortona zes uur sloeg, ging Ettore Milano naar de Villa Coppi om het nette pak op te halen, waarin zijn kopman op 4 januari in Castellania zou worden begraven. Tegen acht uur had zich in kamer 4 een aantal familieleden en vrienden rond het sterfbed van Fausto geschaard: zijn 68- jarige moeder Angiolina, zijn broer Livio en diens zoon Franco, zijn oom Giuseppe en zijn vrienden Giovanni De Chiesa en Ettore Milano. Over het exacte moment van zijn dood bestaat onzekerheid, maar om kwart voor negen in de ochtend van 2 januari verklaarde een spreker van het ziekenhuis dat Fausto Angelo Coppi was overleden. De volgende dag stond er een kop over de hele breedte van de Corriere della Sera: IImgrande airone ha ciuso Ie ali, de grote reiger heeft zijn vleugels dichtgeslagen.

Advertenties